Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

  • -
  • +

De effectenindicator, een kennismaking in 5 vragen

1. Wat is de effectenindicator?

De effectenindicator ‘Natura 2000 – ecologische randvoorwaarden en storende factoren’ is een hulpmiddel voor initiatiefnemers, vergunningverleners en planmakers die te maken krijgen met activiteiten in of nabij Natura 2000-gebieden. De Natura 2000-gebieden worden ook wel Vogel- en Habitatrichtlijngebieden genoemd. De effectenindicator is een instrument waarmee mogelijke schadelijke effecten ten gevolge van de activiteit en plannen kunnen worden verkend. De effectenindicator geeft u informatie over de gevoeligheid van soorten en habitattypen voor de meest voorkomende storende factoren. Deze informatie is generiek: om vast te stellen of een activiteit in praktijk schadelijk is moet vervolgonderzoek plaats vinden.

2. Waarvoor kunt u de effectenindicator gebruiken?

Initiatiefnemers kunnen de effectenindicator gebruiken om:

  • Te achterhalen tot welke storende factoren de activiteit (project of handeling) en plannen kunnen leiden.
  • Te achterhalen welke soorten en habitattypen in principe gevoelig zijn voor deze storende factoren.

Op deze wijze verkrijgt men een indicatie ten aanzien van de mogelijke schade (effecten) voor het Natura 2000-gebied. Door deze informatie te confronteren met de specifieke kenmerken van de activiteit en plan, in combinatie met de locatiespecifieke gegevens over het richtlijngebied (voorkomen soorten/habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen), kunt u vaststellen of er sprake zal zijn van mogelijke schadelijke effecten. U kunt zodoende gemotiveerd besluiten of nader onderzoek noodzakelijk is.

Vergunningverleners kunnen de effectenindicator gebruiken om:

  • Te achterhalen of in een voortoets alle mogelijke storende factoren zijn onderzocht.
  • Vast te stellen of alle mogelijke effecten bij een activiteit zijn onderzocht.

Op deze wijze verkrijgt men inzicht in de mogelijke effecten waarnaar een onderzoek zou moeten worden uitgevoerd en kan men motiveren of een vergunningaanvraag noodzakelijk is.

Het is aan te bevelen dat initiatiefnemer en vergunningverlener/plantoetsers hierover in een zo vroeg mogelijk stadium van het proces gezamenlijk overleggen.

3. Waarvoor kunt u de effectenindicator niet gebruiken?

De effectenindicator geeft u géén informatie over de daadwerkelijke schadelijke effecten van een activiteit noch over de significantie hiervan.
Om daadwerkelijk effecten vast te stellen moet er informatie op specifiek niveau aanwezig zijn (over de activiteit en de soorten en habitattypen). Om de significantie vast te stellen moet er informatie zijn over de instandhoudingsdoelstellingen.
Daadwerkelijk significante gevolgen moeten worden vastgesteld in een nader onderzoek. Dergelijk onderzoek vereist maatwerk. De effectenindicator geeft alleen generieke informatie over mogelijke effecten van de activiteit op een Natura 2000-gebied. Uit de effectenindicator kan dus niet op voorhand worden afgeleid of een activiteit schadelijk is.

4. Op welk moment kunt u de effectenindicator gebruiken?

De effectenindicator wordt gebruikt in de voortoets. Een voortoets is nodig wanneer er activiteiten (projecten of handelingen) en plannen worden ondernomen in of in de (directe) nabijheid van Natura 2000-gebieden. Tijdens deze toets moet worden vastgesteld ‘of er mogelijke (significante) gevolgen zijn voor het richtlijngebied ten gevolge van een activiteit of plan’. De effectenindicator is behulpzaam bij het vaststellen van mogelijke optredende storende factoren en bij het bepalen van de mogelijke effecten hiervan.

5. Welke informatie vindt u in de effectenindicator?

De effectenindicator ‘Natura 2000 – ecologische randvoorwaarden en storende factoren’ geeft u informatie over de gevoeligheid van alle Natura 2000 soorten en habitattypen ten aanzien van storende factoren.

Om welke soorten en habitattypen gaat het?

In de effectenindicator staan alle habitattypen en soorten die hebben bijgedragen aan de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Het gaat om 51 Habitattypen van bijlage I van de Habitatrichtlijn en 35 dier- en plantensoorten van bijlage II van de Habitatrichtlijn. Bij de Vogelrichtlijn gaat het om 44 soorten van Bijlage 1 van de richtlijn en 52 soorten die vallen onder artikel 4 lid 2 Vogelrichtlijn.
Voor al deze soorten en habitattypen dient Nederland de gunstige staat van instandhouding te waarborgen.

Om welke storende factoren gaat het?

In de effectenindicator zijn de meest voorkomende storende factoren beschreven. Storende factoren zijn effecten die optreden ten gevolge van activiteiten. Denk bijvoorbeeld aan ‘verlies van leefgebied’ of aan ‘vermesting’. De effectenindicator onderscheidt 19 storende factoren.

Wanneer is een soort of habitattype gevoelig voor een storende factor?

Een soort of habitattype is gevoelig voor een storende factor als ‘in zijn algemeenheid’ het voorkomen van de storende factor leidt tot negatieve effecten op een soort of habitattype. Negatieve effecten kunnen weer de gunstige staat van instandhouding beïnvloeden.
Voor de habitattypen en plantensoorten is bij de toekenning van de gevoeligheid uitgegaan van het optimaal voorkomen van het type of de soort op basis van een kwantitatieve analyse van beschikbare kwantitatieve gegevens, waarbij de abiotische randvoorwaarden voor habitattypen en soorten oorspronkelijk afkomstig zijn van deskundigenkennis.
Voor diersoorten is waar beschikbaar ook uitgegaan van kwantitatieve ruimtelijke gegevens. In overige gevallen is de gevoeligheid toegekend via deskundigenkennis op basis van de ecologische kenmerken van de soort.

 

Naar boven