Controles na het itereren

Top  Previous  Next

Nadat de technische analyse heeft plaatsgevonden is het raadzaam een aantal controles uit te voeren.

 

1 - Soorten die geen waarde krijgen
Bij zeer soortenarme opnames waarvan de samenstellende soorten geen indicatiewaarde hebben, en die soorten ook niet in de rest van de table voorkomen, dan zullen die soorten en typen geen indicatiewaarde krijgen tijdens het iteratieve rekenproces. Dergelijke soorten krijgen dan op de achtergrond de waarde -9999 en worden in de tabel zonder waarde getoond. Dat is te controleren door in het tabblad Statistiek Soorten de kolom UIT per factor (bv pH) oplopend te sorteren. Als de typen waar deze opnamen mee verbonden zijn veel bedekken, is het raadzaam een waarde te schatten voor deze typen. Zie verder onder 5.

clip0093

 

 

2 - Van soorten met een hoog gewicht (200 of 300) moet de IN waarde dicht bij de UIT waarde liggen

De soorten met een hoog gewicht zijn soorten met een smalle amplitude voor een bepaalde factor. Als die soorten in opnamen voorkomen die qua berekende indicatiewaarde toch sterk afwijken van de IN waarde, dan ontstaat er een groot verschil tussen IN en UIT, berekend in kolom v (verschil). Een afwijking van de GVG en GLG waarde van meer dan 10 cm is tussen -10 cm en 30 cm ten opzichte van maaiveld is als een groot verschil aan te merken. Voor pH is dit een afwijking van meer dan 0,5 pH punt, idem voor Trofie: meer dan 0,5 punt voor de numerieke waarde. Vaak zal dit het gevolg zijn van inhomogene opnamen, bv waterplantenvegetaties waarbij ook de soorten van de droge oever meegenomen zijn in de opname. Gewogen gemiddeld kan zo’n opname (en dus ook het vegetatietype) dan vochtig worden in plaats van nat. De samenstellende soorten komen dan gewogen gemiddeld te droog uit. Het is lastig om hier in de basis (de opnamen) iets aan te doen. Volstaan kan worden om het type in tabblad Statistiek vegetatietypen zo nodig een nattere waarde te geven in de kolom Gemiddeld. Het karterend bureau kan een signaal krijgen dat beter gelet moet worden op het maken van homogene opnamen. Mogelijk is het nodig de instructie van het bureau aan te passen, bijvoorbeeld voor het maken van opnames in bossen met veel kleinschalig reliëf.

 

3 - soorten met een onverwachte waarde

Wanneer een soort aangetroffen wordt met een andere indicatiewaarde dan je zou verwachten, dan is het mogelijk na te kijken hoe dat ontstaat. Dubbelklik op die soort en er wordt automatisch doorgeschakeld naar tabblad Statistiek soorten waar de opnamen worden getoond waar die betreffende soort in voorkomt. Om te zien op basis waarvan een specifieke opname een indicatiewaarde krijgt ga dan de betreffende opname in het tabblad Statistiek vegetatietypen en sorteer die opname door te klikken in de bovenste kopregel. Dan is per soort de toegekende dan wel geïtereerde indicatiewaarde en het gewicht te zien. Zie figuur hieronder.

 

clip0072

 

4 - zijn alle opnamen gelinkt aan een lokaal type?

Het komt voor dat er schrijffouten gemaakt worden in het veld Loc_type van de opname in de TURBOVEG-database. Zie figuur hieronder in de kolom Lokaal vegetatietype. Bij de typen 6-2, 6-1 en anderen is de voorloopnul weggevallen, hetgeen onnodig tot typen zonder indicatiewaarde leidt. Dit is te herstellen door in de opnamen in de TURBOVEG-database de verwijzing te corrigeren in de kolom Loc_type. Vervolgens dient er een nieuwe export gemaakt te worden naar een opnamentabel en het project dient te worden herladen.

 

clip0073

 

5 - Zijn er lokale typen die veel bedekken, zonder opname.

In het tabblad Statistiek Vegetatietypen kan oplopend worden gesorteerd naar bijvoorbeeld Landelijk vegetatietype, de typen zonder opnamen komen dan bovenaan te staan. Rechts in de tabel is een kolom met oppervlaktes per lokaal type weergegeven. Voor typen die serieus bedekken is het aan te raden om indicaties voor de  verschillende factoren in te vullen. Standaard doe je dat voor GVG  en mogelijk ook GLG (op dit moment alleen nog voor Hoogvenen beschikbaar) voor het type Open water. Bijvoorbeeld voor de GVG is -30 of -50, afhankelijk van een eventuele aanduiding in de typebeschrijving in de rapportage.
Voor de overige typen kan als volgt worden gewerkt. Mogelijk heeft de eerdere of latere kartering een vergelijkbaar lokaal type, in dat geval kunnen die waarden worden overgenomen. Dat kan ook voor een overeenkomend landelijke type maar dan moet gekeken worden of de inhoud van de typen goed overeenkomt (typologiebeschrijving van de karteringen). Een andere manier is kijken naar de naburige lokale typen in het tabblad Statistiek vegetatietypen. Samen met de typebeschrijving kan dan over het algemeen een redelijke inschatting gemaakt worden per factor, waarbij je ook naar de plek op de gradiënt kunt kijken van eventueel dominante soorten in de beschrijving. Bij meer recente karteringen zouden (vrijwel) alle lokale typen voorzien moeten zijn van één of meer opnamen. Bij twijfel is het beter om géén waarde in te vullen, de abiotiekkaarten zullen dan wat grijze vlakken vertonen hetgeen overkomelijk is. Belangrijker is dat een aantal vlakken dan geen verkeerde waarde krijgen: bij vlakken met meerdere vegetatietypen wordt het gewogen gemiddelde weergegeven. Als er van typen geen waarde is berekend of ingevuld dan krijgt het vlak een waarde op basis van het typen waarvan dat wel het geval is. Dit valt natuurlijk minder goed op dan grijze vlakken.

 

6 - Vergelijken met directe metingen

Als er kwalitatief goede metingen beschikbaar zijn van het terrein dan kunnen die worden vergeleken met de indicaties van de betreffende vlakken. Enige afwijking hoeft geen probleem te zijn omdat vlakken niet altijd homogeen zijn. Op dit moment is er nog geen duidelijke werkwijze ontwikkeld hoe te handelen als de verschillen groot zijn.

 

7 - Vergelijken met AHN

In de huidige versie van ITERATIO is een AHN kaart oproepbaar, het is echter (nog) niet mogelijk om die dynamisch in beeld te krijgen zoals dat wel kan met de AHN viewer - https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/ of met ArcGIS.

Onlogische grote verschillen kunnen aanleiding geven om waarden van typen aan te passen, bedacht moet echter worden dat bijvoorbeeld leemlagen en dergelijke kunnen leiden tot onverwachte GVG’s. Laagten in hoogvenen kunnen een relatief lage waterstand hebben doordat de weerstandbiedende laag is verwijderd. Op zich is dat dan weer een interessant gegeven voor een landschapsecologische analyse.

In het algemeen valt op dat karterende bureaus weinig gebruik maken van het AHN, bijvoorbeeld voor het maken van veldkaarten. Duidelijke laagten met een veel natter indicerende vegetatie worden soms over het hoofd gezien, of andersom, of de begrenzing van vlakken past slecht op het AHN.

In het geval dat indicatiewaarden (en weegwaarden) worden aangepast worden deze opgeslagen in het projectbestand. Ze worden bij een volgende sessie van het project automatisch geladen zodat er direct mee verder kan worden gewerkt.

 

8 - Controle in het veld

Wellicht is dit de belangrijkste controle. Bijvoorbeeld de GVG kaart is rond 1 april, in een redelijk normaal jaar, buiten redelijk goed te beoordelen. Ook de Trofiekaart is in het groeiseizoen goed te vergelijken met veldobservaties.