Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

Beschermde natuur in Nederland: soorten en gebieden in wetgeving en beleid

De effectenindicator soorten: een korte kennismaking

Gaat u een omgevingsvergunning aanvragen? Of krijgt u een aanvraag omgevingsvergunning binnen? Houd er dan rekening mee dat de aangevraagde activiteit een negatief effect kan hebben op soorten beschermd onder de Wet natuurbescherming. Bij het kappen van bomen kunnen bijvoorbeeld nesten van vogels worden vernield en bij het renoveren van gebouwen kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen worden beschadigd. Als de activiteit negatieve gevolgen heeft voor beschermde dieren- of plantensoorten, is een natuurtoestemming nodig. De initiatiefnemer moet dit dan aangeven bij de aanvraag omgevingsvergunning. De gemeente moet op haar beurt een aanvraag omgevingsvergunning op mogelijk schadelijke effecten voor soorten controleren. Om te verkennen of er beschermde soorten in het geding zijn, kunnen initiatiefnemers en gemeenten de effectenindicator soorten gebruiken.

De effectenindicator soorten geeft een indicatie voor mogelijke negatieve effecten op beschermde soorten voor alle activiteiten uit de omgevingsvergunning. Dit doet zij voor een selectie van 30 soorten. Het gaat om díe soorten waarvoor de meeste ontheffingen worden aangevraagd en/of die het meest gevoelig zijn voor deze activiteiten. Van de overige beschermde soorten die in het plangebied zijn aangetroffen, worden alleen de aantallen per soortengroep getoond. De gegevens over de aanwezigheid van soorten zijn afkomstig van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De mogelijke negatieve effecten zijn vastgesteld via een trefkans met de activiteit en vervolgens via de gevoeligheid van soorten voor storende factoren veroorzaakt door deze activiteit, zoals verlies van leefgebied of verstoring door geluid. Daarnaast wordt in de resultaten ook weergegeven welke mogelijke maatregelen bij negatieve effecten kunnen worden genomen.

Bekijkt u ook de Routeplanner voor het omgaan met effecten op beschermde soorten binnen de omgevingsvergunning.

In de brochure Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen vindt u meer informatie over beschermde soorten, de verbodsbepalingen, het aanvragen van een ontheffing en de complete lijsten met soorten onder de Wet natuurbescherming.

Disclaimer

  • De informatie uit de effectenindicator soorten is generiek en geeft een indicatie. Om vast te stellen of een activiteit in de praktijk daadwerkelijk schadelijk is, is meer specifieke informatie nodig over de betreffende activiteit, de locatie waar de activiteit plaatsvindt en over het voorkomen van beschermde soorten in en rond het plangebied.
  • De dekkingsgraad van waarnemingen uit de NDFF wisselt sterk per locatie. Als er geen waarnemingen uit de NDFF zijn, kunnen er dus wél beschermde soorten voorkomen. Een gebruiker is zelf verantwoordelijk om (eventueel met hulp van de gemeente) te achterhalen welke beschermde soorten daadwerkelijk in het plangebied voorkomen.
  • Hoe kleiner de selectie van het plangebied, hoe minder soorten in de uitvoer zullen worden getoond. Houd er rekening mee dat het onderzoeksgebied waarbinnen de mogelijke effecten moeten worden onderzocht, vaak groter is dan het plangebied waar de activiteit plaatsvindt omdat de activiteit ook effect kan hebben op de omgeving.
  • Beschermde soorten die in het plangebied zijn waargenomen maar volgens de toegepaste methodiek geen schadelijke effecten zullen ondervinden door de activiteit, worden níet in de uitvoer getoond.
  • De effectenindicator geeft generieke informatie over mogelijke maatregelen om de effecten te verminderen. Voor het vaststellen van de werkelijk te nemen maatregelen heeft u meer locatie-specifieke informatie nodig. Schakel hiervoor altijd de gemeente of een ecologisch deskundige in.

Start de effectenindicator soorten

FAQ’s effectenindicator

1. Hoe gebruikt u de effectenindicator soorten?

Als gebruiker kiest u bij de invoer voor een locatie, waar u een activiteit wilt uitvoeren, en voor een bijbehorende activiteit(en) van de omgevingsvergunning.

  • Voor de locatie kunt u kiezen uit het opgeven van een postcode, of u kunt de locatie tekenen op de kaart. De postcode kan bestaan uit vier cijfers of de volledige postcode. Na een klik op de zoekfunctie verschijnt de locatie op kaart. Ook na de keuze voor een postcode, kunt u de exacte locatie aanpassen op de kaart. Als de getekende locatie op kaart niet juist is, kunt u een nieuw gebied tekenen door opnieuw op de kaart te klikken. De gekozen locatie kan niet groter zijn dan 10 km2.
  • Bij de keuze van een activiteit kunt u kiezen uit de lijst van 45 activiteiten die vallen onder de omgevingsvergunning. Het aantal en de omschrijving van deze activiteiten is identiek aan die van het Omgevingsloket online (OLO).

Nadat u de locatie hebt opgegeven en de activiteit(en) geselecteerd, klikt u op “Toon effecten” waarna u de uitvoer kunt bekijken.

2. Wat toont de uitvoer van de effectenindicator soorten?

De uitvoer van de resultaten van de effectenindicator wordt getoond op drie niveaus:

  1. Niveau 1: De standaard uitvoer is een lijst met beschermde soorten en aantal overig beschermde soorten per soortengroep. U ziet eerst díe soorten uit de top-30-soortenlijst die zijn waargenomen in het opgegeven plangebied op grond van gegevens van de NDFF én waarop de activiteit een effect kan hebben. Vervolgens ziet u per soortgroep (tussen haakjes) het aantal overige beschermde soorten onder de Wet natuurbescherming die zijn waargenomen in het opgegeven plangebied op grond van gegevens van de NDFF én waarop de activiteit een effect kan hebben.
  2. Niveau 2: elke soortnaam heeft een link die u kunt uitklappen waarbij het volgende wordt getoond:
    a) Mogelijke negatieve effecten: per soort worden per verbodsbepaling de storende factoren getoond die door de activiteit kunnen optreden.
    b) Mogelijke maatregelen om negatieve effecten te voorkomen, verzachten of herstellen: per soort worden mitigerende maatregelen getoond.
  3. Niveau 3: elke storende factor en elke maatregel heeft een link die u kunt uitklappen waarbij een korte toelichting verschijnt.

3. Wat kan een initiatiefnemer met de resultaten doen?

De uitvoer van de effectenindicator geeft aan of er wel of geen schadelijke effecten op wettelijk beschermde soorten kunnen worden verwacht:

  • Als er geen schadelijke effecten worden verwacht, dan is een overtreding van de verbodsbepalingen niet waarschijnlijk. In dat geval kunt u de omgevingsvergunning zonder een natuurtoestemming aanvragen. U moet wel altijd voldoen aan de zorgplicht. Dat betekent dat u altijd rekening moet houden met alle in het wild levende soorten en voor al deze soorten negatieve gevolgen zo veel mogelijk moet voorkomen of ongedaan maken.
  • Als er wel schadelijke effecten worden verwacht, adviseren wij u om contact op te nemen met uw gemeente of een ecologisch deskundige. Tijdens dit vooroverleg kunt u bespreken hoe realistisch het is dat de effecten zich in uw situatie daadwerkelijk zullen voordoen. Mogelijk is er toch geen natuurtoestemming nodig, komt u in aanmerking voor een vrijstelling of kunt u maatregelen nemen waardoor het overtreden van de verbodsbepalingen kan worden voorkomen. Voor initiatieven van grotere omvang is meestal vervolgonderzoek nodig om vast te stellen of een activiteit in de praktijk daadwerkelijk schadelijk is. Dit nader ecologisch onderzoek moet duidelijk maken of de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden.

    LET OP: onder de Wet natuurbescherming kunnen provincies vrijstellingen geven voor soorten bij bestendig beheer, gebruik en onderhoud of in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Deze vrijstellingslijsten verschillen per provincie. Bezoek hiervoor de website van uw provincie

4. Wat kan een gemeente met de resultaten doen?

Als gemeente kunt u de indicator gebruiken tijdens het vooroverleg met een initiatiefnemer om te bepalen of een natuurtoestemming moet aanhaken bij de omgevingsvergunning. Wanneer uit de effectenindicator blijkt dat de activiteit schadelijk kan zijn voor beschermde soorten, kunt u in overleg treden met de provincie en/of de initiatiefnemer. Samen kunt u achterhalen welke wettelijk beschermde soorten daadwerkelijk aanwezig zijn, of schadelijke effecten van de activiteit zich zullen voordoen en welke maatregelen kunnen worden genomen zodat u toch een omgevingsvergunning voor de activiteit kan verlenen.

Ook kan u bij binnenkomst van een aanvraag toetsen of de omgevingsvergunning volledig is wat betreft natuurinformatie. De gemeente is als bevoegd gezag omgevingsvergunning medeverantwoordelijk voor een volledige aanvraag. De gemeente moet zelfstandig beoordelen of een natuurtoets binnen de omgevingsvergunning noodzakelijk is. Als u "redelijkerwijs" kan weten dat er beschermde soorten voorkomen, en dat is niet aangegeven in de aanvraag, dan moet u hierop actie ondernemen bij het in behandeling nemen van de aanvraag. Zo nodig vraagt u de initiatiefnemer om aanvullende gegevens. De effectenindicator soorten kan u van informatie voorzien bij dit ‘redelijkerwijs weten’.

5. Welke gegevens uit de NDFF zijn gebruikt in de effectenindicator?

Bij de toepassing van de effectenindicator worden steeds de meest actuele gegevens bij de NDFF opgevraagd. Voor planten zijn het waarnemingen van de laatste 10 jaar; voor vogels en andere dieren zijn het waarnemingen van de laatste 6 jaar. Wat betreft de vogels, zijn alleen waarnemingen geselecteerd die samenhangen met terreinbinding; overvliegende vogels worden dus niet geselecteerd. Wat betreft de andere diersoorten is een selectie op terreinbinding lastiger maar ook minder relevant. De waarnemingen met een hoge onnauwkeurigheid >= 1 km2 zijn er uit gelaten. Daardoor wordt de soortenlijst per gebied zekerder als het gaat om soorten waar men mee te maken kan hebben.

6. Hoe zijn mogelijke negatieve effecten bepaald?

De kans op een effect is gebaseerd op de gevoeligheid van soorten voor storende factoren die optreden door die activiteit. Voor elke activiteit is bepaald welke soorten of soortgroepen hiervan een effect kunnen ondervinden. Voor elke activiteit is ook bepaald welke storende factoren kunnen optreden. Bijvoorbeeld de activiteit ‘Weg aanleggen’ kan leiden tot verlies aan leefgebied, versnippering van het leefgebied en sterfte door aanrijdingen, in dit geval dus tot drie storende factoren. En de activiteit ‘Dakkapel plaatsen’ kan leiden tot het verlies vaste voortplantings- of rustplaatsen.

Voor elke soort is bepaald of deze wel of niet gevoelig voor de negatieve effecten van storende factoren. Op grond van deze informatie toont de effectenindicator welke waargenomen soorten een negatief effect kunnen ondervinden.

Deze storende factoren zijn de verbindende schakel tussen de invoer van de activiteit en de aanwezigheid van de soort op grond van de gegevens van de NDFF. In de uitvoer van de effectenindicator worden uiteindelijk alleen díe soorten getoond, die in het plangebied zijn waargenomen én scoren op de gevoeligheid voor de storende factoren die op kunnen treden door de activiteit.

7. Hoe is de gevoeligheid van een soort voor storende factoren bepaald?

De mogelijke negatieve effecten voor soorten door een activiteit worden weergegeven in de vorm van gevoeligheid voor storende factoren. Deze gevoeligheid van soorten voor storende factoren is gebaseerd op kenmerken van deze soorten en de ecologische randvoorwaarden van soorten: de abiotische en ruimtelijke randvoorwaarden die nodig zijn voor een geschikt leefgebied. Op grond van deze ecologische vereisten van soorten en bekende literatuur over dosis-effect relaties, is per soort de gevoeligheid voor storende factoren vastgesteld. Voor alle 30 soorten is een bestand gemaakt met de invulling van de gevoeligheid voor alle storende factoren. Deze bestanden zijn in eerste instantie ingevuld door experts van Wageningen Environmental Research (Alterra) en vervolgens gecontroleerd door de soortdeskundigen van de PGO’s:

  • Vissen, amfibieën en reptielen door soortdeskundigen van RAVON
  • Zoogdieren door soortdeskundigen van de Zoogdiervereniging
  • Vogels door soortdeskundigen van SOVON
  • Vlinders en libellen door soortdeskundigen van de Vlinderstichting.

De PGO’s hebben de invulling van de gevoeligheid waar nodig veranderd en waar bekend bronnen toegevoegd. Alle bronnen zijn opgenomen in een literatuurlijst, die per soort beschikbaar is.
Deze inhoudelijke vaststelling heeft in 2013 plaatsgevonden. Voor meer informatie over de methodiek van de effectenindicator zie het rapport uit 2013.

8. Hoe zijn mogelijke maatregelen bij negatieve effecten bepaald?

De mogelijke maatregelen waarmee negatieve effecten kunnen worden voorkomen, verzacht of hersteld, zijn afkomstig uit de maatregelenindicator soorten. Deze maatregelenindicator is in 2013 opgesteld door de toenmalige Dienst voor het Landelijk Gebied (DLG). De maatregelen zijn per soort in meer detail beschreven en verder uitgewerkt in de soortenstandaards.

Deze selectie en de maatregelen ten aanzien van de soorten waarvoor geen soortenstandaard is, werden bepaald door soortexperts, veelal bij wijze van expert-inschattingen in samenspraak met deskundigen werkzaam bij Dienst Landelijk Gebied.

Heeft u vragen of opmerkingen?