sbblogo

Terreincondities

Inleiding

Ten behoeve van de bedrijfssturing wordt bij de afdeling Terreinbeheer van het Staatsbosbeheer gewerkt aan een planten¬sociologische indeling van de vegetatie van Nederland, met daaraan gekoppeld een abiotische onderbouwing van de onder¬scheiden typen (Schipper, 1994; Bilius et al., 1995). De eigenlijke bedrijfssturing zal uiteindelijk plaatsvinden op het niveau van de zogenaamde ‘doelcomponenten’. Deze zullen voor een deel samenvallen met de onderscheiden vegetatietypen, maar ook deels bestaan uit combinaties van vegetatietypen. De relatie tussen doelcomponenten en vegetatietypen wordt uiteengezet in de ‘SBB-catalogus’ (Schipper, 2002).
De indeling in vegetatietypen (de ‘SBB-catalogus’; Schipper, 2002) is in belang¬rijke mate geënt op de reeks ‘De Vegeta¬tie van Nederland’ (Schaminée et al., 1995a, 1995b, 1996, 1998; Stortelder et al., 1999). Op een beperkt aantal hoofdlijnen (o.a. indeling Grote zeggenvegetaties en droge graslanden) en een groot aantal details vertonen beide indelingen echter verschillen.
De abiotische onderbouwing van de onderscheiden typen blijkt in veel gevallen problematisch te zijn. Vaak is onduidelijk welke factoren die betrekking hebben op de waterhuishouding, voedingstoestand en basenhuishouding/zuurgraad, differentiërend werken en waar precies de drempelwaarden liggen. In de lite¬ratuur die betrek¬king heeft op de rela¬tie vege¬tatie-stand¬plaats wordt de exacte floristische samen¬stelling en locatie van de betrokken vegeta¬ties vaak onvoldoende gedocumenteerd. Ook zijn stand¬plaatsbe¬schrijvingen in de vegetatiekundige lite¬ratuur veelal erg kwalitatief van aard.
Om bovengenoemde kennis-lacunes op te vullen is binnen de afdeling Terreinbeheer van het Staats¬bosbeheer het project terreincondities gestart. Het deelproject selectie van referentiepunten vormt hiervan een onderdeel. Eerdere inventarisaties ten behoeve van dit deelproject hebben plaatsgevonden in 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 (Beets et al., 2000 t/m 2004).
In een aansluitend deelproject (Knotters et al., 2000, 2001) vindt vervolgens analyse van de hydrologische meetreeksen van de referentiepunten plaats. In dat deelproject worden de meetreeksen geanalyseerd op hydrologische stabiliteit (trend); voor de hydrologisch als stabiel beoordeelde referentiepunten vindt verdere analyse plaats op specifieke hydrologische kenmerken.